Extimiteit
Jacques Lacan’s terugkeer naar Freud
Jiska, F2
Pag. 52 en 53
Samenvatting
Aan het eind van pagina 51 wordt uitgelegd dat het Ik zichzelf probeert te zijn, maar zich slechts van een ander kan onderscheiden door het object van het verlangen van de ander af te troggelen.
Het Ik ontkent zijn afhankelijkheid van de grote Ander en de krachten van het onbewuste, het geeft het subject de illusie van een meesterschap.
Agressiviteit is inherent aan de duale, imaginaire relatie. Niet de bedreiging van het Ik door de ander vormt de bron van agressie, niet de frustratie door de ander, maar het Ik zelf, de vervreemdende werking van het ik. De agressiviteit wordt hierbij het hevigst wanneer het object wordt gereduceerd tot louter een meesterbetekenaar, die op zichzelf genomen een ‘lege’, ‘nietszeggende’ betekenaar is.
Hierbij een voorbeeld uit een verhaal van Suske en Wiske. Jerom ontmoet Kemal de Turk die erg op hem lijkt, en zij worden vrienden. Wanneer Jerom zichzelf na een avontuur op een Grieks schip ‘Jerome de Griek’ begint te noemen, ontsteekt Kemal in woede en roept ‘Verraad! Een Griek! Dood aan de Griek! ’
Met dit voorbeeld wordt duidelijk dat louter door een ‘lege’ meesterbetekenaar de vrienden van elkaar gescheiden worden en de een de ander gaat haten.
Agressiviteit is de opstand van het subject tegen de beklemming van het Ik. In de analyse verschijnt de agressie als fantasieen over het verbrokkelde lichaam. Dat is een teken dat het narcistische schild van het Ik is doorbroken, en dat de analysant zich probeert te onderscheiden van het keurslijf van zijn Ik.
In de imaginaire verhouding pendelt het subject tussen een overmatige bewondering voor de ander (de ander als ideaal-ik, de verliefdheid) en haat jegens de ander.
De agressiviteit is het meest venijnig als het onderscheid tussen het Ik en de ander dreigt te vervagen en daarmee de initiele situatie van het spiegelstadium wordt opgeroepen.
Tot slot wordt een sterk ‘Ik’ door Lacan gezien als een narcistische stoornis, het gevolg van een te krachtige libidineuze bezetting van het Ik. In de analyse wordt daarom niet beoogd het Ik van de patient te versterken, maar eerder het af te breken.
Extimiteit
H V- ‘Voorbij het Oedipuscomplex: de symbolische castratie’
Pag. 103-107
Pag. 103
Van het gehele psychoanalytische theoretische corpus is de theorie van het Oedipuscomplex wellicht het meest omstreden. Het is echter niet toevallig dat Freud voor de benaming Oedipuscomplex koos. ‘Waarom Freud zijn fundamentele figuur in de tragedie van Oedipus herkent’ zegt Lacan ‘is omdat hij het niet weet dat hij zijn vader heeft gedood en met zijn moeder heeft geslapen’.
De onwetendheid van Oedipus is de legitieme voorstelling van de onbewustheid waarin voor de volwassene de hele gebeurtenis weggezonken is. ‘De werkelijkheid van het onbewuste’ zegt Lacan, ‘is een seksuele werkelijkheid-een ondraaglijke waarheid’.
Pag. 104 en 105
De term ‘complex’ ontleende Freud aan Jung, die met deze term ‘een door associatie met elkaar verbonden samenstelling van ideeën’ aanduidde. Ook kan de term ‘complex’ de betekenis van ‘trauma’ hebben. Beide betekenissen komen in de theorie van het Oedipuscomplex tot uitdrukking; het Oedipuscomplex is een trauma waar een intersubjectieve structuur aan ten grondslag ligt. Lacan zal de talige aard van de oedipale structuur beklemtonen en de symbolische castratie centraal stellen.
Het Oedipuscomplex bij de jongen wordt gekenmerkt door het seksuele verlangen van de moeder en de rivaliteit met de vader. Bij het meisje verlopen de verwikkelingen echter minder eenduidig. Het vertrekpunt is in beginsel gelijk; de libidineuze bezetting van de moederborst, die het kind voedt. Deze objectbezetting gaat over naar de moeder, die het kind verzorgt. Bij de lichaamsverzorging wordt zij de eerste verleidster van het kind. Het vertrekpunt in de ontwikkeling is voor zowel de jongen als voor het meisje dus de liefde voor de moeder, wiens verzorging doortrokken is van erotische gevoelens, die genotvolle sensaties bij het kind teweeg brengen.
Het Oedipuscomplex van de jongen
Na de orale en anale fase belandt de jongen in de fallische fase van zijn libido-ontwikkeling. De opwinding die hij hierbij ervaart richt zich in de fantasie van het kind op de moeder. Een anatomisch onderscheid tussen de geslachten kent hij niet; de jongen denkt dat iedereen een penis bezit. De vader vormt een ideaalmodel voor de jongen en in de preoedipale periode bestaat er nog geen rivaliteit tussen het kind en de vader. De eigenlijke oedipale fase begint met de castratiedreiging. De moeder verbiedt de jongen zijn geslachtsdeel te betasten en dreigt dat hij hem weleens kwijt zou kunnen raken!
De castratiedreiging is weliswaar gericht op de penis, maar in zijn uitwerking is het vooral gericht op de ontzegging van het fantasma van de jongen dat hij ongebreideld van zijn geliefd object, de moeder, geniet. Vervolgens doet zich in de ontwikkeling van de jongen een beslissend moment voor; de kleine jongen ziet een zusje of vriendinnetje naakt en hij ziet het ontbreken van een penis.
Pag. 106 en 107
Het is een enorme schok voor het jongetje; het dreigement van zijn moeder lijkt bewaarheid te kunnen worden. In eerste instantie verloochent de jongen de gedachte dat er mensen zijn die verstoken zijn van een penis. Uiteindelijk komt hij tot de conclusie dat het mannelijk geslachtsdeel toch in elk geval aanwezig moet zijn geweest, en vervolgens is weggenomen.
Langzaam dringt ook de bittere waarheid tot het jongetje door dat zijn moeder een vrouw is en daarom gecastreerd moet zijn. Vervolgens wil het jongetje er alles aan doen om zijn penis te redden en aanvaardt het verbod om zijn lid te betasten. Daarmee doet hij tevens afstand van zijn moeder als seksuele partner; het Oedipuscomplex gaat ten onder aan het trauma van het castratiecomplex.
De hevige liefde van het jongetje voor zijn moeder maakt nu plaats voor ‘doelgeremde’ driften, het zijn vooral tedere gevoelens die hij voor haar heeft. Deze gevoelens mogen echter niet te heftig worden want dan loopt hij het gevaar dat zijn moeder hem aan de vader verraad en aan de castratie uitlevert.
Het uiteindelijke resultaat van het Oedipuscomplex is derhalve het opgeven van de sterke moederbinding ten gunste van identificatie met beide ouders. Deze ouderlijke identificatie is de voorloper van het Boven-ik, waaruit zich later het geweten zal ontwikkelen. Met het Boven-ik zijn ook de idealen verbonden op grond waarvan de jongen later in zijn leven zijn partnerkeuze zal maken en zijn ambities in het leven stelt.
Schuins Beziend
Jacques Lacan geïntroduceerd vanuit de populaire cultuur
Jiska, F2
Blz. 101 t/m 105
Blz. 101
Wat van belang is in de situatie van de ‘machteloze blik’, is dat deze nooit tweeledig is, zij is nooit een eenvoudige confrontatie tussen een subject en een tegenstrever. Er is altijd sprake van een derde element dat de onschuldige onwetendheid van de grote Ander personifieert (de regels van het sociale spel) en waarvoor we onze ware bedoelingen moeten verbergen.
We hebben dus van doen met drie elementen: een onschuldige derde die alles ziet maar aan wie de ware betekenis van wat hij ziet ontgaat; de handelende persoon die met zijn daad een beslissende slag uitdeelt aan de antagonist; en, tot slot, de antagonist zelf, de machteloze toeschouwer die perfect begrijpt wat de daad werkelijk betekent maar desondanks is veroordeeld tot de rol van de passieve getuige, want zijn reactie zou immers de argwaan van de onschuldige, onwetende grote Ander wekken.
Het wezenlijke pact dat de spelers van het sociale spel verbindt, is dan ook dat ‘de Ander niet van alles op de hoogte moet zijn’. Dit niet-weten van de Ander legt een bepaalde afstand bloot die ons zogezegd bewegingsvrijheid verleent, of, anders gezegd, die ons toestaat onze handelingen te bedelen met een supplementaire betekenis die achter de sociaal erkende betekenis schuilt.
De notie van de grote Ander is gebaseerd op de speciale soort bedrieglijkheid die we zien in een scène uit Duck Soup, waarin de persoon Goucho een pleidooi houdt voor de ontoerekeningsvatbaarheid van zijn cliënt, waarbij hij het volgende argument gebruikt: ‘Deze man ziet er gestoord uit en gedraagt zich gestoord -maar laat u zich hierdoor niet misleiden: hij is gestoord!’
Blz. 102
Dit voorgaande voorbeeld maakt het verschil duidelijk tussen het dierlijk en het menselijk bedrog: alleen de mens is in staat te bedriegen door middel van de waarheid. Alleen de mens kan bedriegen door te doen alsof hij bedriegt.
Deze beweging ‘van buiten naar binnen’ is een van de belangrijkste aspecten van intersubjectieve relaties in de films van Hitchcock: we worden in feite iets omdat we pretenderen dat reeds te zijn.
Door ‘te pretenderen iets te zijn’, door ‘een bepaalde rol te spelen’, verkrijgen we een plaats in het intersubjectieve symbolische netwerk, en het is deze externe plaats die onze werkelijke positie bepaalt.
Blz. 103
Het uiteindelijke bedrog komt voort uit de valsheid van de sociale uiterlijkheden, want in de sociaalsymbolische orde zijn wij precies wat wij pretenderen te zijn.
In dit kader moeten we ook de ‘schuldoverdracht’ zien, die volgens Rohmer en Chabrol het belangrijkste aspect van het hitchcockiaanse universum is.
In de films van Hitchcock is moord altijd meer dan slechts een zaak van moordenaar en slachtoffer; moord impliceert altijd een derde partij, een verwijzing naar een derde persoon, -de moordenaar doodt voor deze derde persoon, zijn daad wordt ingelijst door het kader van de symbolische ruil die met hem plaatsvindt.
Van cruciaal belang is echter, dat deze ‘schuldoverdracht’ niet een of ander psychisch inwendige betreft, een onderdrukt, verworpen verlangen dat diep achter het beleefdheidsmasker schuilgaat, maar juist betrekking heeft op een wezenlijk uitwendig netwerk van intersubjectieve relaties. Het moment waarop het subject een bepaalde plek in dit netwerk verkrijgt (of verliest), wordt hij schuldig, ondanks het feit dat hij, in het inwendige van zijn psyche, volkomen onschuldig is.
Blz. 104
Bij het voorbeeld van de film ‘Mr. And Mrs. Smith’ wordt zichtbaar dat op elk gegeven ogenblik het idyllische uiterlijk van de alledaagse gang van zaken teniet kan worden gedaan, niet zozeer omdat er een onrechtvaardig geweld door het oppervlak van de sociale regels heen breekt, maar omdat iets wat kort daarvoor nog binnen de regels viel plotseling -als gevolg van een onvoorziene verandering in de symbolische structuur van de intersubjectieve relaties- een afschrikwekkende zedeloosheid verkrijgt, niettegenstaande het feit dat de handeling in haar onmiddellijke, fysieke werkelijkheid identiek blijft.
Drie films van Charlie Chaplin, The Great Dictator, Monsieur Verdoux en Limelight geven blijk van een structureel probleem: het plaatsen van een grenslijn, het definiëren van een bepaald kenmerk dat moeilijk te omschrijven is op het niveau van positieve eigenschappen en waarvan de aan -of afwezigheid bepalend is voor de veranderingen in de symbolische status van het object.
Blz. 105
Deze differentiële eigenschap, die niet kan worden verbonden aan een positieve kwaliteit, wordt door Lacan le trait unaire genoemd, de gemeenschappelijke eigenschap: een punt van symbolische identificatie waaraan het reële van het subject zich hecht.
De tragedie mag dan uiteindelijk een zaak van ‘karakter’ zijn, oftewel, de immanente noodzaak die leidt tot de uiteindelijke ramp staat gegrift in de tragische persoonlijkheidsstructuur, toch schuilt er altijd iets komisch in de wijze waarop het subject verbonden wordt aan de betekenaar die zijn plaats in de symbolische structuur bepaalt, of, ander gezegd, die ‘hem voor de andere betekenaars representeert’. Het is niet toevallig dat Mr. and Mrs. Smith, de film van Hitchcock die dit aspect van zijn universum het duidelijkst verbeeldt, een komedie is.
Ethiek en Sublimatie- Paul Moyaert
Jiska, F2
Samenvatting
Blz. 18 en 19
Bij het voorbeeld van de liefde waarbij enerzijds verlangd wordt dat de ander redenen geeft waarom hij een bepaald persoon bemint, en het anderzijds niet kunnen verdragen van een sluitende verantwoording van die liefde, wordt de complexe spanningsverhouding ten op zichte van redenen (het zegbare) zichtbaar. Hier situeert Lacan de problematiek van het onbewuste.
De psychoanalyse van Freud heeft volgens Freud door de ontdekking van het onbewuste het beeld van het ik als centrum van het subject ontluisterd. Het ik zou hierbij niet enkel op het bewuste niveau maar ook in het onbewuste aanwezig zijn. Het onbewuste is dan niets anders dan de uitbreiding en de complementaire voortzetting van de logica van het bewuste ik.
Deze interpretatie van het onbewuste presenteert zichzelf enerzijds als ontmaskering van het autonome ik, maar is anderzijds een herbevestiging van de logica en het verlangen van het ik; het verlangen blijft hoe dan ook aan redenen gebonden.
Lacan vat het onbewuste echter niet op als een soort dynamische vergaarplaats van allerhande onbewuste motieven. Volgens Lacan herinnert het onbewuste het ‘ik’ er steeds opnieuw aan dat het ultieme antwoord op de vraag ‘waarom’ nooit door het onbewuste gegeven zal worden aan het ‘ik’ dat er naar verlangd zijn ‘niet-weten’ op te heffen.
Blz. 20
Het bewuste ik is geneigd van alles en nog wat op zichzelf te betrekken en vanuit zichzelf te begrijpen. Het onbewuste subject herinnert het bewuste ik eraan dat het, ondanks die betrokkenheid op zichzelf, terzelfder tijd is opgenomen in een dynamiek die niet op zichzelf of het eigen ik betrokken is. De symbolische orde is onbewust; de mens is opgenomen in een orde die niet is ingericht op de noden en behoeften van het individu. Het bewuste ik wil hier niets van weten; het wil niet weten dat het onderworpen is aan een ordening die niet is afgestemd op het eigen geluk, dat het word gedragen door een verlangen dat zich niet laat beperken door wat goed is voor het eigen zelf.
In de verwerkelijking van een verlangen kan een persoon zeer rationeel te werk gaan, maar tegelijkertijd ontsnapt aan deze persoon die dynamiek aan zijn bewuste controle. Die dynamiek staat gedeeltelijk in het teken van ‘iets’ anders dat zelf niet in klare en duidelijke omschrijvingen kan worden uitgedrukt.
maandag 8 juni 2009
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten